De Romeinse speelden geen schaken.
Ze speelden iets beters.
Het schaakspel zoals wij dat kennen, ontstond pas rond de 6e eeuw n.Chr. in India — eeuwen na de val van Rome. Maar de Romeinse elite was geobsedeerd door strategische bordspellen die in geest, tactiek en sociale status de directe voorlopers waren van het schaakspel.
In de marmeren villa's en de militaire tenten van het Romeinse Rijk werden de lotgevallen van de wereld beslist. Maar na de veldslagen en de senaatsdebatten ontspanden keizers en generaals zich met één spel dat hun geest net zo scherp hield als hun zwaard:
Ludus Latrunculorum — het Spel der Soldaten.
Dit was geen spel voor het gewone volk. Het was het spel van de elite: de officieren, de senatoren, de intellectuelen en de keizers zelf. Het werd gezien als militaire training voor de geest — een manier om tactische vaardigheden te oefenen. Een potje Latrunculi was een duel van intellect, geen kwestie van geluk. Geen dobbelstenen. Puur strategie.
De spelborden van de rijken — de Tabulae Lusoriae — waren meesterwerken van vakmanschap: kostbaar hout, marmer, ingelegd met zilver. De speelstukken vervaardigd uit ivoor, edelstenen of prachtig gekleurd glas. Archaeologen vonden borden gegraveerd in de vloeren van Pompeï, in de treden van Britse forten — overal waar Romeinse soldaten gelegerd waren, speelden zij.